Smart Data in plaats van Big Data

Hoeveel data heb je nodig voor “Big Data”? Het klinkt als een logische vraag. Big Data gaat er vanuit dat juist de veelheid van data interessante informatie oplevert. En dat is een aantal gevallen ook zeker waar. Statistische informatie over ons koopgedrag legt correlaties waar marketeers van smullen. Maar ook een grootschalig onderzoek als “Life Lines” is gebaseerd op Big Data. Dit is een onderzoek waarbij een heel grote groep mensen uit Noord Nederland over een periode van 30 jaar medisch wordt gevolgd om zo allerlei ziekte en verouderingsprocessen te kunnen ontdekken.

Wanneer je verhalen over Big Data leest lijkt het ultieme doel te zitten in de hoeveelheid data. Zelfs in zo’n medisch wetenschappelijk project als Life Lines wordt daar veel nadruk op gelegd. Meer is beter. Wie heeft de meeste Tera, Peta, of zelfs ExaBytes in hun data center, lijkt een doel op zich. Maar wellicht een middel dat soms zijn doel voorbij schiet.

Big data is een aanpak waarbij je op zoek gaat naar het onverwachte, het onbekende. Ultiem laat het je in je blinde vlek zoeken. Zoeken naar datgene waarvan je niet weet dat je het niet weet. Soms handig, maar vaak weet je wel degelijk waar je naar op zoek bent. Je wil bijvoorbeeld gewoon weten waar iets de afgelopen 24 uur is geweest. Als er veel data van locaties is wordt er toch vaak aan gerefereerd als Big Data. Daarbij wordt dan bedacht dat als die informatie over bijvoorbeeld de positie in die berg met data zit, je met een “simpel big data algoritme” die er zo uit krijgt.

Helaas. Dan heb je dit flink fout begrepen. Big data algoritmes kunnen patronen vinden in grote hoeveelheden data. Maar het is een statische benadering. Over locaties kun je bijvoorbeeld ontdekken via welke route de meeste mensen zich van A naar B bewegen. Maar als ik wil weten hoe een specifiek iemand van A naar B is gegaan helpen de algoritmen je weinig. Als die data er is, is het dan een simpele “ouderwetse” zoekopdracht.

Met big data ben je eigenlijk een hooiberg aan het doorzoeken, met als opdracht naar “iets dat langwerpig, klein en van metaal is”. En als het om specifieke informatie gaat waarvan ik heel veel details hebt, komt het in deze metafoor er op neer dat je de speld nota bene zelf in de hooiberg hebt gestopt, en weet waar die ligt.

Ik wil daarom veel meer pleiten voor Smart Data. Het gaat niet om zo veel mogelijk data, maar om de juiste informatie. Met voorkennis over waar je naar op zoek ben, al dan niet in combinatie met slimme of zelflerende algoritmen, heb je maar een fractie van de data nodig om tot het goede resultaat te komen. Gericht data verzamelen om gericht tot het antwoord te komen. En dat komt niet alleen de hoeveel benodigde opslag capaciteit ten goede, maar ook transparantie en de betrouwbaarheid van de geleverde informatie.

Low speed testing

De afgelopen weken stond bij ons een LoRaWAN Proof-of-Concept centraal. Deze PoC centreert rond de uitdaging van tracking. We willen mobiele objecten redelijk kunnen volgen. Het hoeft niet exact, maar wel ongeveer. De lat moet dus net hoog genoeg. Alleen dan kunnen we de voordelen van een heel laag batterij verbruik ook benutten in de toepassing.

Deze IoT toepassing heeft Nederland als werkgebied. Om daar nu mee aan de slag te kunnen, is de keuze voor het LoRaWAN netwerk van KPN logisch. Het netwerk heeft volgens zeggen landelijke dekking, waarbij er momenteel verdichting plaatsvindt.

Ons doel is niet om de netwerk kwaliteit te meten, maar we merken wel aan den lijve dat het in ontwikkeling is; de dekking wisselt sterk per locatie. Het meest frustrerend was dat er tot een week geleden geen dekking was rond ons kantoor. En we zitten nog wel midden op het high-tech Kennispark. Gelukkig hebben we ook testlocaties met dekking, en is ook ons kantoor sinds kort ook LoRaWAN gebied geworden.

Naast dekking is er nog een hele serie parameters die de communicatie kunnen verbeteren of frustreren. LoRaWAN “out-of-the-box” werkt, maar niet optimaal. En deels kan dat ook niet, aangezien optimalisatie ook samenhangt met de applicatie. De standaard instellingen passen bij een statische toepassing, terwijl onze applicatie mobiel is. Zo werkt Automatic Data Rate alleen goed in stilstand, en kan het zelfs tegenwerken bij beweging.

Daarnaast vraagt LoRaWAN je heel goed na te denken over de regelmaat en de data die je verstuurt. Door de 1% duty cycle die samenhangt met de 868 MHz regelgeving kun je maar af en toe iets sturen; zeker omdat retries van gemiste berichten ook meetellen. Een LoRaWAN bericht duurt tot 1,5 seconde. 1% betekent dat er tussen de berichten gemiddeld minimaal 150 seconden zit. Als je 130 km/uur rijdt zit er ruim 5 km tussen twee opeenvolgende punten. Past dat in de applicatie? In onze applicatie hoeven de positie niet heel nauwkeurig te weten. Deze PoC gaat ons laten zien of we het hier mee redden.

Tijdens de testen lopen we ook op een andere manier tegen de lage duty cycle op. Als je ontwikkelt wil je graag veel data punten hebben, met allerlei verschillende settings. Maar we hebben, als we geluk hebben, één data puntje elke 2,5 minuut. Even wat testen kost dus een hele tijd. In een tijd waarin alles ultra high speed is, is LoRa echt weer terug naar de tijd als ultra low speed.

Nu is dat ook wat LoRa en de andere IoT technieken beloven. Het gaat niet om de hoge snelheid, maar de lage kosten in hardware en batterijgebruik. De nieuwe uitdaging is daarmee eigenlijk ook weer een oude bekende. We moeten weer heel zuinig zijn op wat je stuurt. Minimale overhead door protocollen, berichten slim coderen en vooral goed nadenken over de applicatie. Wanneer heeft deze welke informatie nodig. En daarbij heel veel tijd reserveren om het goed te optimaliseren en te testen.

Het lab op straat

“IoT” is wel het buzzword van de dag. De aandacht groeit exponentieel, net als de verwachtingen erover. Als zoekterm bij Google is IoT in drie jaar tijd vertienvoudigd. Typisch nieuwe technologie. Ga bijvoorbeeld terug naar de periode 2010-2013 en we zien een vergelijkbare trend vinden voor LTE. Een voorbode van iets nieuws dat over een paar jaar gemeengoed is.

Exponentiële aandacht voor nieuwe technologie gaat hand in hand met hooggespannen verwachtingen, bomen die tot in de hemel groeien. Dat is goed, want dat prikkelt de fantasie, over wat er allemaal mogelijk is, en stimuleert om innovaties waar te maken. Daar is ook een risico, want de verwachtingen overstijgen nog wel eens zelfs het theoretisch haalbare. Zo’n situatie noemt Gartner daarom ook niet voor niets de “peak of inflated expectations”, de piek van de opgeblazen verwachtingen.

Hoewel sommige verwachtingen onrealistisch hoog zijn, is het wel het ideale moment om te kijken naar wat wel haalbaar is. Alleen door de toegeworpen handschoen op te pakken kun je er achter komen waar de grenzen van het mogelijke liggen, en de ervaring opdoen om techniek en toepassing nauw op elkaar aan te laten sluiten.

IoT is een techniek die schreeuwt om experimenten “in het veld”. Het koppelen van een apparaat in het lab is één, maar pas in de toepassing buiten kun je gaan ontdekken wat de kracht in de praktijk is. Daarvoor heb je fieldlabs nodig, omgevingen waarin het experiment in een realistische setting plaatsvinden. We zijn daarom ook bij een Smart Industry fieldlab betrokken.

Voor IoT is een fieldlab ook echt buiten, dus echt een lab op straat. IoT technieken als LoRaWAN, Zigfox en NB-IoT zijn geënt op toepassingen buiten. Iets dat op kantoor werkt doet het in het veld lang niet altijd zo goed als verwacht. De combi van dekking, radiotechniek en de applicatiesoftware moet goed in elkaar zitten, en kun je alleen in praktijk situaties testen.

De grootste uitdaging van zo’n lab op straat is misschien wel het duurzaam verankeren ervan. Zo’n fieldlab is vaak lastiger te onderhouden, puur doordat het buiten is. Bovendien is het risico van de opgeblazen verwachtingen van IoT, dat het in eerste instantie enorm gaat tegenvallen. De eerste echte resultaten zullen teleurstellen. De kunst is om daarvan te leren, en die lessen te bundelen richting oplossingen die wel hun vruchten afwerpen. Daarom, jullie die verantwoordelijk zijn voor een fieldlab: Laat je niet kisten, de teleurstellingen van het begin zijn de basis voor het komende succes.

Ode op de systems engineer

Dat stilstand achteruitgang betekent is meer dan een volkswijsheid. Innovatie is een sleutelwoord in deze maatschappij. De basis voor de innovatie van nu is de versmelting van technologie in de maatschappij, met het begrip “SMART” als buzzword. Smart industry, smart agriculture, smart aging, smart health, smart city, smart … .

De technologie ondersteunt daarin een menselijk, maatschappelijk of industrieel proces, waarbij een veelheid aan technisch vernuft het de gebruiker super simpel moet maken. En juist hier zit de uitdaging, want technologie sec is geen innovatie. Het gaat om de koppeling van mensen aan techniek. Innovatie is multidisciplinair, in een team dat verstand heeft van de markt, van het gedrag van mensen, van de economische haalbaarheid en van de technologie. Een team dat als het goed is ook zowel generalisten als specialisten omvat.

Als technisch generalist heeft de systems engineer hier een ongelofelijk belangrijke rol die nogal eens over het hoofd gezien wordt. De systems engineer is een persoon met brede kennis die goed conceptueel kan denken, maar ook de vertaalslag naar de praktijk ziet. Marktwensen zijn veelal abstract geformuleerd. Het is aan de systems engineer om deze te vertalen in iets dat je ook kunt maken. Hoe maak je van een vage wens als “het systeem moet nauwkeurig genoeg zijn voor …” een meetbaar getal? Welke betrouwbaarheid is nodig? Wat is de balans tussen eisen en kosten? Wanneer wordt eisen onbetaalbaar?

Ook toeleveranciers moeten goed begrepen worden, en goed uitgedaagd worden. De folder suggereert soms wel erg veel, maar is wel zo geformuleerd dat er weinig of geen harde beloften gedaan worden. De folder belooft iets, maar wat biedt dat in de praktijk? Zijn de beloften reëel? Onder welke omstandigheden, en welke omstandigheden zijn van toepassing? Dit vraagt allereerst om het goed tussen de regels door kunnen lezen van de verkoopbrochures, en daarna gestructureerd testen. Er is heel veel techniek in de markt, maar hoe scheid je het koren van het kaf? De systems engineer daagt de toeleverancier uit de grenzen van het haalbare op te zoeken.

Innovatie gaat ook niet over één nacht ijs. Het vinden van de juiste oplossing is een proces. Vanuit een idee, langs een proof-of-concept via meerdere prototypes naar het uiteindelijke resultaat. Van theorie naar praktijk over de verschillende assen van disciplines heen. Innovatie is dan ook het itereren tussen theorie en praktijk, de “Plan-do-check-act” cyclus toepassen. Op basis van een gedegen analyse van de praktijk de oplossing planmatig bijsturen en laten groeien naar een volgend niveau. De systems engineer is de persoon die juist tussen beide heen en weer kan bewegen, en zo de oplossing cyclisch verbetert, samen met de andere disciplines uit het team, gebruikers en toeleveranciers.

Het innovatieve idee lijkt vaak zo simpel, maar dan zit toch “the devil in the detail”. En dan is het de systems engineer die het geheel weer SMART moet maken. Dus bij deze, alle lof aan de systems engineer.

Wanneer komt de Texit?

De afgelopen weken was er maar één woord echt trending op social media, de Brexit. De start van een schokgolf door Europa? Een storm in een glas water? Of is dit één van die zaken die eigenlijk al decennia in de lucht hangen, maar niet lijken te komen, en plots is het er toch. Maar zal de Brexit op het gebied van bedrijf of missie kritische communicatie grote impact hebben?

De Britse regelgever op het gebied van communicatie is de OFCOM. De OFCOM heeft zitting in Europese overleg organen zoals het CEPT. CEPT speelt een belangrijke rol in het vaststellen van de technische eisen van (radio) telecommunicatie. Op haar beurt staat ze in nauw overleg met de EU, waar bijvoorbeeld de R&TTE Directive de technische eisen in juridische tekst vastlegt. De CEPT bestaat overigens uit zowel EU als niet-EU leden, en dus heeft een Brexit geen directe gevolgen. Maar indirect zijn gevolgen wel te verwachten als Groot-Brittannië wat verder van ons af komt te staan.

De OFCOM benadert regelgeving Angelsaksisch, terwijl de rest van Europa meer het Rijnlandse model aanhangt. De OFCOM, net als de FCC in de VS, wil een liberalere benadering, met meer vrijheid voor marktpartijen, terwijl normering en standaardisatie meer in lijn is met de meerderheid in Europa. Een voorbeeld van het liberalere beleid is de regelgeving voor “TV White Spaces”. Als eerste in Europa is het sinds februari van dit jaar in Groot-Brittannië toegestaan om “white space devices” te gebruiken in de 470-790 MHz band, mits op die specifieke locatie het niet voor omroep TV gebruikt wordt. TV White Spaces is een vrijere omgang met spectrum, en in de VS al een aantal jaren toegestaan.

De liberalere benadering is ook te zien in de adoptie van LTE voor openbare orde en veiligheid. Afgelopen december heeft de Britse regering contracten toegekend voor de vervanging van het TETRA netwerk van Airwave. Medio 2017 loopt het huidige contract af, en moet het nieuwe netwerk operationeel zijn. Het moet VoLTE en Push-to-Talk ondersteunen. Een haastklus, aangezien de inkt voor de standaard nog nauwelijks droog is.

De Britse benadering is mij wat al te voortvarend, maar heeft ook zijn voordelen. LTE is een volwassen standaard, waar iedereen op vertrouwt. Ook in missie kritische toepassingen wordt LTE steeds meer gebruikt, of we dat leuk vinden of niet. In Europa maken we echter nog erg weinig vaart richting LTE voor OOV, met als risico dat we afhankelijk zijn van publiek LTE, terwijl een missie kritisch LTE netwerk gerealiseerd kon worden.

Groot Brittannië heeft al gekozen voor een Texit (TETRA-exit). Naar verwachting gaat voor 2020 de stekker definitief uit het Airwave TETRA netwerk. Maar hoe zit dat voor Nederland? Wanneer is de Nederlandse Texit een feit? Ook dat hangt al jaren in de lucht. En het zou wel eens sneller kunnen gaan dan we denken. En dan kunnen we maar beter ervaring opgedaan hebben met LTE voor OOV.

Shell Eco Marathon

Mijn jongste zoon doet binnenkort mee met de Shell Eco Marathon. Dit is een internationale wedstrijd waar middelbare scholen, hoge scholen en universiteiten uit heel Europa mee doen. Het doel van de wedstrijd is om een zo zuinig mogelijke auto te bouwen, en daar daadwerkelijk mee te rijden.

Mijn zoon doet mee met een team van zijn middelbare school, onder de naam “Green Team Twente Young”. Ze werken met steun van het “Green Team Twente” van de Universiteit Twente aan hun auto “Max”, die zijn rondes gaat rijden op het Queen Elisabeth Olympic Park in Londen.

Omdat de auto heel experimenteel is en het team niet zo heel ervaren, is niet alleen het bouwen, maar ook het rijden van de auto een grote uitdaging. Het team moet daarom continu paraat staat voor tijdens en na de rit, om à la minuut in te kunnen grijpen als dat nodig blijkt te zijn.

Om deze “missie kritische” situatie het hoofd te bieden vroeg mijn zoon of ik niet voor een betrouwbaar communicatie middel kon zorgen. Omdat LTE nog niet OOV-proof wordt geacht ben ik teruggevallen op de oude vertrouwde portofoon technologie, en heb ik een aantal PMR446 portofoons gekocht.

Afgelopen week ben ik met de setjes aan het testen geweest, en ik was zeer te spreken over wat het te bieden heeft. De grootste uitdaging was misschien nog wel het plaatsen van de batterij, maar daarna was het kinderspel. Het juiste kanaal kiezen, en het is voor elkaar.

Nou ja, misschien zit daar gelijk weer de uitdaging, want de gebruikers interface is voor een techneut als ik vanzelfsprekend, maar staat wel mijlen ver af van de intuïtieve touchscreen benadering van tablets en smartphones, zoals iedereen tegenwoordig gewend is. En een papieren gebruiksaanwijzing, wat is dat?

En hier lopen generaties en/of achtergronden uit elkaar. De techniek achter PMR446 is super simpel, als je het vergelijkt met alle nieuwe vormen van techniek zoals die in onze smartphones zit, maar je heb de gebruiksaanwijzing echter nodig om er mee aan de slag te gaan. Of dat een gemiste kans is weet ik niet, maar het laat wel zien dat het intuïtief maken van een gebruikers interface een vak apart is.

En dit is niet alleen een uitdaging voor de kleine schermpjes op een portofoon. Juist naar mate apparaten ingewikkelder worden – en dat worden ze zeker – verwachten we als gebruikers dan de bediening simpeler wordt. Dat merk ik niet alleen om me heen maar ook bij mezelf.

Dit is misschien wel een van de grootste uitdagingen voor de ontwerper van nu. Een simpel, intuïtief gebruikersinterface, die geen uithoudingsvermogen van een marathon vraagt om het apparaat te kunnen bedienen.

Een heer in het verkeer

In de jaren ’60 van de vorige eeuw leerden Olie B Bommel en Tom Poes aan de leerlingen van de lagere school hoe je je te gedragen had in het verkeer. Dit boekje had de welluidende titel: “Wees een heer in het verkeer”. Dit suggereert vooral dat je elkaar de ruimte laat. Een stukje beleefdheid, zodat iedereen op een goede manier gebruik kan maken van de gedeelde ruimte.

Deze gedeelde ruimte kom ik momenteel vooral tegen in de licentievrije banden. De banden worden gedeeld tussen een divers pluimage aan gebruikers, en een zo mogelijk nog diversere set aan technologieën, met de vraag hoe deze met elkaar omgaan.

Zo onderzoeken wij nu de wederzijdse beïnvloeding van remote controls voor drones en Wi-Fi systemen. Beide zijn actieve gebruikers van de 2,4 GHz band. Voor Wi-Fi natuurlijk niets nieuws, maar de remote controls zijn nieuwere gebruikers, en vooral een groeiende groep.

Het licentievrije karakter laat de applicatie volledig vrij, en voor de radio liggen er slechts een beperkte set aan eisen. Een maximum vermogen en enkele verkeersregels voor co-existentie. Per 1 januari 2015 is de meest recente richtlijn hiervoor ingevoerd.

Een belangrijk winstpunt van de 2015 regeling is dat frequency hopping systemen stringentere “spectrum sharing” mechanismen ingebouwd moeten hebben. Dit kan Listen-Before-Talk zijn of een duidelijke beperking in duty cycle. Op basis van dit winstpunt is de hoop dat de co-existentie van diverse systemen erop vooruit gaat.

Enkele weken geleden hebben we de proef op de som gedaan. We hebben de verstoring gemeten van diverse remote controls op Wi-Fi en omgekeerd. We hebben daarbij gemeten met remote controls van voor en na 2015, met deels een zeer verrassend resultaat.

Een volledig verwacht resultaat is dat ons niet lukte om de remote control serieus te verstoren met Wi-Fi. Zelfs het volgooien van het spectrum met een massale hoeveelheid Wi-Fi verkeer lijkt voorbij te gaan aan de remote control.
Wat we ook verwachtten is dat remote controls wel storen op Wi-Fi. Maar onverwacht bleek dat de nieuwe remote controls juist meer verstoring veroorzaken dan de ouderen. De metingen lijken er op te duiden dat de nieuwe “politeness” regels weinig helpen, of wellicht zelfs contraproductief zijn.

De basis van dit probleem is dat de remote controls gebruik maken van smalle bandjes en door frequency hopping heel vaak van frequentie wisselen, en daarmee vaak de brede Wi-Fi band tegen komen. De hoge data snelheid van Wi-Fi is gevoelig voor storing, maar de remote controls zijn juist ontworpen op lage snelheid, voor veel robuustheid. De co-existentie uitdaging is dus heel asymmetrisch.

Daarnaast is Wi-Fi erg braaf in zijn Listen-Before-Talk. Ook in de deling van het spectrum met LTE-LAA zien we dat Wi-Fi snel het onderspit delft. Een heer in het verkeer zorgt wel voor ruimte voor de ander, maar is misschien niet altijd de weg om zelf vooruit te komen.

Om daar ruimte voor te hebben moet je ruimte krijgen, of ruimte zoeken. De concurrenten op de 2,4 GHz band laten erg weinig ruimte voor Wi-Fi. Misschien is de beste route daarom wel om Wi-Fi op de 5 GHz nog meer te stimuleren. De 2,4 GHz band is niet alleen erg vol, maar er komen ook meer Wi-Fi onvriendelijke systemen bij. Tijd om weg te wezen, en zelf de ruimte te zoeken.

LoRaWAN is een Short Range Device

Met een aantal tieners in huis wordt mijn middelbare school kennis van menig vak regelmatig op de proef gesteld. Mijn beta achtergrond biedt een prima antwoord op vakken als wiskunde, maar o die talen. Althans, soms wordt het toch weer een leuke uitdaging, zoals allerlei stijlvarianten in het Nederlands. Pleonasme, tautologie, eufemisme, paradox, …

Eén zo’n paradox werd mij vorige week ernstig ingewreven, maar dat niet door mijn kinderen. Het kwam hard naar boven tijdens een onderzoek dat we momenteel uitvoeren in opdracht van Agentschap Telecom. De vraagstelling is de verwachtte drukte op de licentievrije banden, waaronder de 868 MHz band.

Die band is een ratjetoe van toepassingen. Een aantal heel specifiek, zoals de social alarm, maar veel onder de generieke naam Short Range Device of SRD. De deze categorie is een vreemde mix aan toepassingen. Want, wat is een short range device?

Uiteraard is er de EEC Recommendation 70-03, waarin de SRD gedefinieerd wordt is termen van radio parameters: vermogen, duty cycle, Listen-Before-Talk en Adaptive-Frequency-Allocation, maar wat zegt dit over de toepassingen? En vooral, kunnen deze goed naast elkaar bestaan? En bereik is daarbij een punt van aandacht.

De bekendste toepassingen van SRD hebben inderdaad een beperkte reikwijdte. Een echt klein bereik met RFID. Veel binnenshuis toepassingen zoals draadloze meters, brand- en bewegingsmelders, draadloze microfoons en koptelefoons. Maar het bereik is soms veel groter. Zo wordt SRD ook gebruikt bij drones om meetdata over een afstand van kilometers te sturen.

Maar één technologie die onder de SRD regels valt is de echte paradox, namelijk LoRaWAN, voluit Long Range – Wide Area Network. In de naam wordt tot twee keer ontkent dat het een Short Range Device is. Nu is dat vooral een kwestie van naamgeving, want LoRaWAN werkt prima over lange afstand, en SRD is maar een naam. Maar kunnen systemen die bedoeld zijn op meters te werken co-existeren met systemen die over kilometers werken? Is de naam alleen de paradox, of zijn de SRD applicaties te diverse voor vreedzame co-existentie?

Hier is geen éénduidig antwoord op te geven. De SRD regels zorgen ervoor dat co-existentie in de basis geregeld is. Een aantal modules die ieder met een duty cycle van minder dan 1% hun data versturen kunnen prima samen in één omgeving functioneren, met verschillend bereik. Er zit echter een risico in de explosieve groei van Internet of Things. Een SRD systeem met een flink aan devices dicht bij elkaar kan lokaal best leiden tot verstoringen van een wide area IoT systeem. Maar als dit een probleem wordt, hoe los je dat op?

Een route die ik in overweging wil geven is bereik wel als echte basis voor het onderscheid te nemen. Spectrum voor SRD met inderdaad een klein bereik, waar heel veel devices dicht op elkaar mogen, en spectrum voor wide area IoT, en zo de paradox in de band oplossen.

SMART wordt SMARTIE

Het afgelopen jaar heeft de term Smart de Industrie veroverd. Wat in Duitsland begon onder de term “Industrie 4.0”, is de afgelopen twee jaar met een stevige oosterstorm overgewaaid naar Nederland met als term “Smart Industry”.

Deze term inspireert een hoop mensen tot innovatie. Begin februari was ik op het heel druk bezochte jaarevent Smart Industry. Het evenement was vooral toekomst gericht. Er werden al wel een aantal voorbeelden getoond van innovaties die onder het kopje Smart Industry vallen, maar het grootste deel van de sprekers benoemden nieuwe initiatieven om te komen tot innovaties.

Nu is dat niet zo gek, bij zo’n innovatie evenement, helemaal als het pas recent op de agenda is gezet, maar welke snoepje, zo u wilt, welke Smartie wordt ons voorgehouden?

Smart begint bij interactie. Omdat we het hebben over industrie denken we al snel aan machines. Maar het begint eigenlijk bij de mens, en daarna met eigenlijk alles wat op een of andere manier in een professioneel proces betrokken is. Dat kan in productie zijn, maar ook in logistiek, beveiliging, bewaking of wellicht zelf zorg. Door deze interactie komen veel nieuwe mogelijkheden naar boven. Naast meer flexibiliteit in productie is remote monitoring & control de basis voor remote support en wellicht zelfs predictive maintenance.

Maar de term SMART wordt soms ook op een heel andere manier gebruikt, namelijk voor het formuleren van doelen. Deze moeten dan “Specifiek”, “Meetbaar”, “Acceptabel”, “Realistisch” en “Tijdgebonden” zijn. Dat is een prima kapstok die ook voor Industrie 4.0 goed toepasbaar is. Wat er op dit en andere events wordt getoond voldoet aan de SMART criteria. Want al is er nog veel sheetware, wat getoond wordt is concreet en helder, en ziet er realistisch haalbaar uit.

Maar deze kapstok is wat droog, of beter gezegd, wat weinig smaak. Ik heb het daarom liever over SMARTIE. De uitbreidingen op SMART staan dan voor “Inspirerend” en “Eigen controle”.

Dat Industrie 4.0 inspirerend is toont zo’n jaarevent in elk geval. De 600 man in de zaal willen allemaal hier de schouders onder zetten. Nadat de maakindustrie decennialang in het verdomhoekje zat, is reshoring nu aan de orde van de dag, juist omdat Industrie 4.0 meerwaarde creëert en de kosten laag houd. We gaan weer echt iets maken, met meerwaarde.

Ook de “Eigen control” lig onder handbereik. De connectiviteit van Industrie 4.0 zorgt ervoor dat heel diverse stakeholders veel transparanter zicht krijgen op de processen waar ze mee te maken hebben. Dat is breder dan productie. Bijvoorbeeld ook logistiek of beveiliging. Deze transparantie biedt toegang tot het proces, het biedt dialoog over het proces, ook over de grenzen van organisaties heen. Het biedt dus meer mogelijkheden om creatief te worden in samenwerking.

Ik zie het wel zitten met Smart industrie, waarbij ik op zoek ga naar de SMARTIES.

Liever de lucht in

“Dan liever de lucht in” zijn de beroemde laatste woorden van Jan van Speijk op 5 februari 1831. Dit “liever de lucht in” spreekt ook nu weer een hoop mensen aan, maar dan wel in een heel andere context. Liever de lucht in met een drone. De inzet van drones door hulpverleners is al lang een onderwerp van discussie, waarbij de politie dit jaar nog een besluit gaat nemen over de inzet.

Niet alleen de drone kiest massaal het luchtruim. Ook de ontwikkeling van drones neemt een enorme vlucht. Daar heeft Agentschap Telecom ons gevraagd om te onderzoeken of dit tot radio gerelateerde problemen kan leiden.

De overgrote meerderheid van de drones maakt gebruik van licentievrij spectrum. De aantrekkingskracht van de 2.4 GHz en 5.8 GHz band geldt ook hier. Daarbij zien we een beetje gebruik van WiFi voor goedkope video-oplossingen, maar vooral gebruik van spread spectrum radio links voor zowel control als video. Deze radio’s weten een goede prestatie neer te zetten voor zowel bereik als bandbreedte.

Maar door de grote hoogte van drones is veel bereik ook veel interferentie. En dat kan twee kanten op. De drone kan interferentie veroorzaken, en ook geïnterfereerd worden.

Dat de besturing van een drone een WiFi signaal goed kan verstoren heb ik zelf in levende lijve mogen ondervinden. We probeerden een video signaal van een drone grondstation door te sturen via een WiFi link met richtantennes. Zodra de 2.4 GHz spread spectrum remote control tussen de richtantennes werd aangezet, was het gedaan met de WiFi link.
Ook de verstoring van drones komt voor. Het aantal officieel gerapporteerde incidenten door interferentie is gelukkig nog heel laag. Er zijn echter wel allerlei verhalen over “spookdrones”, waarbij de controle over een drone heel plotseling wegvalt. Zo hoorde ik een incident waarbij twee drones op precies hetzelfde moment, en volledig onverwacht uit de lucht kwamen vallen. En ook een soort “zwarte gaten”, locaties waar eigenlijk niet gevlogen kan worden. Dit alles wijst op interferentie.

Interferentie voorkomen zou wellicht kunnen door een stuk spectrum apart te zetten voor drones, maar dat is wel schieten met een kanon op een mug. Het aantal incidentie door interferentie is laag, vooral omdat zowel drones nog verre van alomtegenwoordig zijn. Met een typische vliegtijd van zo’n 10 minuten, en een paar honderdduizend drones in Nederland is het spectrum beslag minutieus ten opzichte van bijvoorbeeld WiFi, dat ten slotte 24/7 en met miljoenen tegelijk aanstaat. Bovendien zijn drone steeds meer voorzien van allerlei veiligheidsmaatregelen. Bijna alle drones kunnen zonder controle stabiel in de lucht blijven, en veel drones gaan zelfstandig terug naar het vertrekpunt als de controle wegvalt. Dus zelfs als interferentie een probleem is, dan hoeft dit nog niet tot fysieke risico’s te leiden.

Ik zou dus zeggen: “Ga liever de lucht in met die drones”.