Free lunch

Als bedrijf ben je continu op zoek naar nieuwe talenten. Talent scouting is daarom ook één van mijn dagelijkse activiteiten.

Wij zitten op het Kennispark in Enschede. We kijken zelf letterlijk uit op het terrein van de Universiteit Twente. Daarnaast is hogeschool Saxion op fietsafstand. Wat dat betreft talent genoeg op korte afstand. Maar zoals zo vaak leidt fysiek dichtbij nog niet automatisch tot een intensief contact. Dus is het in contact zijn een continue activiteit.

Om met talent in contact te komen bewandel ik regelmatig uiteenlopende paden. We zitten met hogeschool en universiteit in samenwerkingsproject, staan op bedrijvendagen, zijn sponsor van studieverenigingen en begeleiden stagiairs. En een van de andere middelen in de gratis lunch. En dat moet toch wel effectief zijn zou je zeggen met die arme Nederlandse studenten.

Dit seizoen heb ik een aantal keren een lunch lezing gehouden. De studievereniging zorgt voor de studenten, en wij voor de lunch en de lezing. En telkens zijn er tientallen geïnteresseerden. De eerlijkheid gebied dat sommigen vooral op de broodjes afkomen, maar veel zeker ook op het onderwerp.

De meest recente ervaring was een free lunch voor studenten op kantoor. Een Free Lunch Friday zoals Kennispark dit noemt. Het was een eerste keer, dus nog wat onwennig, maar wel voor herhaling vatbaar. We hadden eerlijk gezegd maar een heel kleine opkomst, maar met de juiste bijstelling voor een volgende  keer verwacht ik meer. En omdat we ook als voltallig team lunchten was het ook voor onszelf goed.

Maar waarom werkt zo free lunch beter dan allerlei alternatieven? Cynisch zou je kunnen zeggen omdat het een gratis lunch is. Maar volgens mij gaat het om iets anders. Samen, interactie, interesse. Geen “harde” deal, maar samen bouwen.

Hoewel zo’n “contractarme” samenwerking lang niet altijd kan houd ik er wel van. Om iets voor elkaar te krijgen kun je eerst je rechten en plichten uitonderhandelen, en dan aan de slag. Het effect is dat je vooral heel veel moeite gaat zitten in het onderhandelen, terwijl de uitkomst toch vrijwel altijd anders is dan wat je van tevoren had bedacht.

Je kunt ook alleen een aantal basis afspraken maken, en met een einddoel op hoofdlijnen. Dan gaat de moeite zitten in de uitvoering, in plaats van in de onderhandeling. En het resultaat kan nog wel eens heel verrassend zijn.

Ik snap best dat er tal van situaties zijn waarin afspraken van tevoren en heel hard gemaakt moeten worden. Maar ik wil waar dat kan de samenwerking zoeken op basis van vertrouwen, respect en open communicatie. Want dan levert een free lunch veel meer op dan een paar gratis broodjes.

Wat wordt het? 5G of G5

Ook begin dit jaar was er weer eens een “drukste spits ooit”. En als we voorspellingen van mobiliteitskenners mogen geloven, zal dit de komende jaren wel door gaan. Om het fileleed te verminderen zijn er tal van oplossingen bedacht. Naast meer asfalt, beter OV, flexibele werktijden en km-heffing is al jaren Intelligent Transport Systems ofwel ITS een veelbelovende, maar nog steeds in de toekomst liggende oplossing. Met draadloze communicatie tussen voertuigen en de walkant en tussen voertuigen onderling realiseert ITS op elkaar afgestemde, en daarmee efficiënte verkeersstormen.

Inhalen en invoegen zijn belangrijke veroorzakers van files, en afremmen en optrekken versterken ze. De file-harmonica’s zijn het gevolg van vertraagde reacties van de weggebruikers. ITS kan dit verhelpen. Door onderling te communiceren weet de auto een auto verderop afremt, en anticipeert daarop. Autorijden wordt zo treintje rijden. Niet per sé spannend, maar wel efficient.

Voor de onderlinge communicatie zijn er momenteel twee belangrijke oplossing. 3GPP heeft ITS in haar 5G portfolio onder de noemer C-V2X ofwel cellulair vehicle-to-everything. IEEE heeft in haar portfolio ITS-G5, ook wel bekend als IEEE 802.11p.

ITS-G5 is een variant van IEEE 802.11. Het is dus een WiFi achtig systeem, dus typisch peer-to-peer, maar nu heel specifiek gemaakt voor de kritische communicatie onderling. De 5G oplossing C-V2X bouwt voort op het robuuste LTE/NR, maar de communicatie tussen voertuigen onderling wijkt erg af van de traditionele cellulaire oplossing, omdat in cellulair alle communicatie per definitie via de infrastructuur loopt.

In de ITS wereld staan deze oplossing lijnrecht tegenover elkaar, met ieder relevante argumenten. De ITS-G5 standaard is al bijna 10 jaar oud, en is uitgebreid beproefd in grootschalige tests. Bovendien is het enkelvoudig gericht op onderlinge communicatie, wat de kwaliteit van de standaard ten goede komt. De 5G standaard C-V2X is nog in de maak, maar als variant van LTE/NR is integratie met andere cellulaire systemen vrijwel vanzelf, terwijl dat extra aan ITS-G5 toegevoegd moet worden.

In maart dit jaar heeft de EU een richtlijn vastgesteld die vooral past bij de ITS-G5 oplossing. Daarmee lijkt de voorsprong van ITS-G5 bezegeld te worden. Het wordt dus G5, maar is de weg voor 5G dan afgesloten? 5G zal in elk geval in auto’s komen voor de communicatie met de infrastructuur, ook als ITS-G5 tussen voertuigen gebruikt wordt. En misschien is er ruimte voor de beide alternatieven naast elkaar.

Toch denk ik dat het EU besluit de weg voor ITS-G5 zo heeft geplaveid dat dit de defacto standaard wordt. En 3GPP zal dan haar knopen moeten tellen. De oplossingen voor C-V2X zijn ook bouwstenen voor niet verkeersgerelateerde beveiligings- en veligheidstoepassingen. Dat kan portofonie zijn, maar denk ook aan remote control van machines en installaties. Ook daar zijn betrouwbaarheid en veiligheid kernbegrippen, alleen gaat het niet zozeer om voertuigen. Dus G5 voor ITS en 5G voor andere veeleisende toepassingen.

Intelligentie

De afgelopen periode verdiepte ik me in “artificial intelligence” . Of eigenlijk beter in “machine learning”. Als startpunt is het altijd goed om eerst helder te krijgen waar de begrippen eigenlijk voor staan.

In 1955 was het John McCarthy die “artificial intelligence” voor het eerst bij een grotere groep mensen  onder de aandacht bracht, samen met andere vooraanstaande “godfathers” van AI als Minsky, Rochester en Shannon. De uitdaging die deze heren formuleerden was om te komen tot oplossingen waarbij de machine dingen kan doen waarvan we op het moment denken dat er zoveel intelligentie bij nodig is dat alleen de menselijke intelligentie dat zou kunnen doen. Dus laat de machine doen wat tot op heden alleen de mens kan.

Op dat moment was de rekenmachine van de gemiddelde middelbare scholier van nu een vorm van AI. Het was onvoorstelbaar dat een machine in staat zou zijn ingewikkelde wiskundige berekeningen te maken. Op dat eerste moment waren er ook ideeën over neurale netwerken. Iets dat we nog steeds als AI zien.

Maar is dat wel AI? Machine learning met neurale netwerken is nu gemeengoed. Als je je weg weet in de open source wereld kun je er zo mee aan de slag. Het is bijna geen hogere wiskunde meer. Bij die neurale netwerken zie je dat de machine dingen kan die we inderdaad lang voor onmogelijk hielden, maar nu gewoon vinden.

Een camera met computer vision kan tegenwoordig tientallen mensen die dwars door elkaar lopen volgen. Maar deze intelligentie is wel door de mens gestuurd. De camera kan dit alleen als deze geleerd is met de juiste data. Een verkeerd gestuurd neuraal netwerk komt tot de verkeerde conclusies. Voorbeelden waarbij je als mens je zelfs afvraagt hoe überhaupt de camera dit “denkt”.

Het begrip artificial intelligence maakt sommige mensen ook bang. De computer die slimmer wordt dan de mens. Ik twijfel of die er echt komt, maar voorlopig zijn we daar nog ver vandaan. Want echt denken kan de computer echt nog lang niet. In alle voorbeelden die we nu zien met artificial intelligence zijn het toch de mensen die intelligent zijn, terwijl de computer eigenlijk nog heel dom is. Goed in een enkelvoudige taak. Wel heel goed in deze taak, maar daar blijft het bij.

Terug naar de oorsprong. Artificial intelligence zijn oplossingen van slimme mensen die de domme computer verbazingwekkende dingen laat doen door vooral veel en snel te rekenen. Artifical intelligence is dus vooral een hulpmiddel om onze menselijke intelligentie nog beter tot z’n recht te laten komen. Dus wat ga jij er mee doen?

IoT in space

Eind november heeft het Delftse bedrijf Hiber zijn eerste IoT satelliet de ruimte in geschoten. Deze satelliet is niet veel groter dan een schoenendoos en vliegt op een hoogte van zo’n 600 km boven de aarde haar rondjes door de lucht. Zestien rondjes per dag om precies te zijn. Dat zijn in theorie zestien kansen per dag om je kleine IoT berichtje per dag te sturen.

Hiber mikt hiermee op applicaties die maar heel weinig berichten hoeven te sturen. Zo’n tonen ze smart agriculture applicaties waarbij sensoren één keer per dag hun metingen van temperatuur, regen, luchtvochtigheid en bodemgesteldheid doorgeven. Ook is er een applicatie om goedkoop zeevisserij in de gaten te houden. Je zou ook kunnen denken aan logistieke applicaties,vooral als het de hele wereld over gaat.

Bovendien beloven ze dat het een eenvoudige en goedkope IoT oplossing is. Deze belofte kennen we van diverse ander oplossingen zoals LoRa, Zigfox en NB-IoT. Daar hoort natuurlijk ook tot tien jaar op een batterij en een eenvoudige integratie bij.

Is Hiber de zoveelste ster aan het IoT firmament? Is het simpelweg een concurrent voor LoRa, Sigfox of NB-IoT? Of valt er echt te kiezen. Naar mijn idee is dit wel degelijk een aanvulling op wat er al is, en misschien is het wel vooral een aanvulling, en niet zozeer een concurrent.

Hiber is gebaseerd op satelliet communicatie. Bovendien zijn het leo-satellieten, die rondjes om de aarde draaien, en dus ook de polen bestrijken. Het is daarmee een systeem dat zich niet houdt aan landsgrenzen, of überhaupt aan de grens van land, en ook werkt waar de bevolkingsdichtheid extreem laag is. Een wereldwijd systeem is daarmee vanaf dag één ook wereldwijd.

Daar staat tegenover dat je waarschijnlijk één berichtje per dag kunt sturen, en dat communicatie nog wel eens door weersomstandigheden inde diverse lagen van de atmosfeer beïnvloed kan worden. Bovendien is het simplex verkeer. Allen van de sensor naar het netwerk, niet omgekeerd. Daarnaast is de kostprijs van Hiber hoger dan van landgebonden systemen in dichter bevolkte gebieden. Alleen al de lancering van deze eerste twee satellieten heeft een miljoen gekost, terwijl een LoRa gateway een paar honderd euro kost.

Hiber moet het dus hebben van afgelegen gebieden, dekking op zee, en applicaties die kunnen leven met heel weinig connectiviteit. Het speelt daarmee in op een gat in de IoT oplossingsruimte die de al wat meer bekendeoplossingen laten liggen.

Hiber is een veelbelovend belofte. Deze belofte moet zich echter nog wel gaan bewijzen. Hiber lijkt op Iridium, welke ook een constellatie van leo satellieten heeft. Iridium heeft veel tijd nodig gehad om zich te bewijzen, maar heeft zijn eigen bewezen oplossing.

Ik zou zeggen, veel succes aan het team van Hiber. Als jullie de satellieten de lucht in sturen, dan sturen wij de IoT berichten erachteraan.

Paarden spotten

Begin oktober werd één van de grootste outdoor sportevenementen van Nederland gehouden in één van de kleinste plaatsen in Nederland. Met meer dan 60.000 bezoekers is de Military in Boekelo al bijna 50 jaar een fenomeen in de internationale paardensport. Het is een sportevenement, maar ook zeker een plek om anderen te spotten of om zelf gespot te worden.

Het gaat in eerste instantie om de paarden. Maar dit jaar had voor ons toch een ander accent. De Military was ook startschot van een onderzoeksproject onder de titel `Event Information System`. Dit project beoogt de beleving van de Military en vergelijkbare outdoor evenementen te verbeteren.

Hogeschool Saxion ontwikkelt in dit project een systeem met camera´s langs het parcours die automatische de paarden kunnen volgen. De camera´s zijn onderling verbonden door een draadloos ad-hoc netwerk. Dit netwerk deelt de beelden onderling, en distribueert dit verder naar de jury, mediapartners en bezoekers van het evenement.

Een van de technische uitdagingen is het automatisch detecteren en volgen van de paarden. De Video Content Analyse methode om dit te doen maakt gebruik van kunstmatige intelligentie. Een neuraal netwerk krijgt een groot aantal scenes te zien, met al dan niet paarden. Een persoon heeft aangegeven wat in de scene te zien is, en leert daarmee het neurale netwerk. Daarna is het testen geblazen.

Onze interesse in dit project is onder andere deze VCA. Niet zozeer om paarden te spotten, maar wel om te onderzoeken hoe goed VCA te trainen is. Bijvoorbeeld om met VCA mensen te detecteren in andere omstandigheden dan we gewend zijn. VCA in “standaard” producten is getuned om onder een groot aantal, veel voorkomende omstandigheden te functioneren. Maar kun je veel winnen door voorkennis?

Kun je beter herkennen door bijvoorbeeld van te voren meer te weten over de lichtomstandigheden? Of als de standaard producten onderscheid maken tussen type objecten, terwijl ik dit helemaal niet nodig heb, dan zit er rekenkracht in iets dat mij niets oplevert. Is deze rekenkracht niet anders in te zetten?

De tuning van “standaard” producten is breed, om de grote diversiteit aan situaties te ondersteunen, maar ik zoek naar diep. In vergelijking: standaard producten lijken op een groothoeklens, terwijl ik de telelens zoek. Ik hoef niet zo nodig alles te zien, maar wel sommige zaken veel scherper.

Saxion gaat aan de slag om op de Military de paarden te volgen. Wij gaan zelf aan de slag om te kijken of wij dezelfde aanpak kunnen gebruiken voor onze toepassingen in beveiliging. Ik ben erg benieuwd hoeveel winst we gaan behalen uit de aanpak. En uiteraard ben ik erg benieuwd naar de resultaten van de studenten. En tot slot benieuwd wie en wat we gaan spotten bij dergelijke kleurrijke evenementen.

Twee of liever drie sneetjes

Het seizoen is weer begonnen. Daarom smeerde ik vanochtend twee sneetjes brood voor tussen de middag: één met ham en één met kaas. En soms is de tweede boterham met iets zoets erop. Dat gaat al heel lang terug als gevolg van mijn opvoeding. Eerst iets hartigs, dan iets zoets.

Terwijl ik zo mijn gesmeerde boterhammen opeet, verdiep ik me in 5G. 5G heeft een aantal duidelijke verbeterpunten t.o.v. het toch al goede 4G. Een nog veel hogere snelheid, tot wel 20 Gbps, een zeer korte latency van minder dan 0,5 ms, een heel hoge betrouwbaarheid en zo zuinig dat een sensor 15 jaar op een batterij kan draaien.

Toen ik voor het eerst me verdiepte in 5G had ik gelijk een plaatje van een schaap met vijf poten voor me. Zo’n hoge snelheid en 15 jaar op een batterij kunnen toch niet samen? Maar 5G heeft een aantal technologieën bedacht om dit toch allemaal mogelijk te maken. Massive MIMO, schaalbare OFDM en mmWave communicatie zijn belangrijke ingrediënten. En om dit vijfpotige schaap mogelijk te maken komen mijn sneetjes brood om de hoek kijken. 5G introduceert “network slicing”.

Network slicing maakt van het éne fysieke 5G netwerk drie virtuele netwerken die afgestemd zijn op specifieke behoeften. Één slice voor “Enhanced Mobile Broadband”, één voor “Massive IoT”, en één voor “Mission-critical services”.

Met deze techniek kan het netwerk geoptimaliseerd worden voor de heel verschillende eisen die volgen uit de toepassingen. Hoge capaciteit voor internet is bereikbaar door caching in het netwerk, terwijl lage latency vraagt om processing dicht bij de gebruiker, en de lange levensduur vooral ook langzame interactie vraagt.

Mission critical is daarbij meer dan alleen Openbare Orde en Veiligheid. Intelligent Transport Systems voor verkeerssystemen hoort daar zeker ook bij. Twee zeer tijd kritische applicaties, waarbij er wel een prioriteit voor OOV in de standaard is opgenomen, maar ik het toch niet zo prettig zou vinden als de PTT knop voor de politieman en de bediening van de remmen van auto’s met elkaar in competitie zijn.

Hoewel ik dat niet getalsmatig heb geanalyseerd lijkt het mij toch erg verstandig deze applicaties te scheiden, en niet in één slice in één netwerk te plaatsen. De beschikbaarheid van eigen OOV spectrum in de 700 MHz band is daarbij een mooie eerste stap naar zo’n scheiding, maar het gaat ook om de capaciteit in het netwerk. Misschien niet per sé overal, maar het is zeker de analyse waard om te zien waar scheiding noodzakelijk is. Daarbij is het ook goed om na te gaan waar virtuele scheiding voldoende is, en waar fysieke scheiding noodzakelijk is. Zodat de missie kritische toepassingen de prioriteit krijgen die ze nodig hebben.

Welk sneetje zal ik trouwens eerst opeten? Met kaas of met ham?

IoT en Blockchain

Als het gaat om security kun je haast geen artikel lezen of blockchain wordt wel ergens genoemd. Nieuwsgierig als ik ben naar nieuwe technologie heb ik mij recentelijk wat meer verdiept in blockchain, en waar je dat nou wel en niet in toe kunt passen.

Bij een workshop aan de UTwente als onderdeel van deze zoektocht kwam ik een groot aantal andere zoekers tegen. Opportunistisch als workshops zijn werd verondersteld dat blockchain een meerwaarde heeft voor zo goed als alles. Blockchain voor logistiek, voor het kadaster, voor banken, voor het onderwijs, voor e-marketing, voor voedselveiligheid, voor energiebesparing, voor …

Als telecomman ben ik uiteraard actief bezig met IoT. Bij IoT workshops kom je hetzelfde tegen. IoT voor dit en voor dat. IoT als de oplossing voor alles. Je kunt er bijna hetzelfde lijstje onder leggen.

De verwachtingen van blockchain en IoT zijn op dit moment overspannen. Allebei zitten ze in een hype. De komende 5 jaar aan ervaringen met de technologieën zal de voeten op de aarde zetten om echt te zien hoe dit goed toepasbaar wordt.

Voor mij was de eigenlijke zoektocht wat blockchain voor IoT kan betekenen, aangezien security als een uitdaging voor IoT gezien wordt. Het klinkt als een eenvoudige vraag, maar het antwoord blijkt lastig.

Als je naar IoT sensoren kijkt is het antwoord eenvoudig. IoT sensoren zijn typisch ontwikkeld om goedkoop te zijn en lang op een batterij te werken. De hardware is daarom typisch eenvoudiger, en staat zo veel mogelijk in “deep sleep”. Blockchain vraagt echter juist veel rekenkracht en een toestand van “altijd aan”. Een mismatch pur sang.

Maar IoT is misschien wel veel meer de applicatie waarin de sensor en andere data omgevormd wordt tot echte informatie. En deze applicatie is niet per sé minimalistisch. Het draai normaal ook op computers, op servers, laptops en smartphones. Hierin is rekenkracht niet echt een bottleneck.

Een voorbeeld waar IoT en blockchain zeker samen kunnen komen is in logistieke processen. Je kun denken aan transport van medicijnen, waarvoor strikte temperatuur condities gedurende het transport gegarandeerd moeten worden. Voorzie de medicijnen van een RFID tag, laat een router met RFID reader de temperatuur meten, deze in een blockchain wegschrijven, en zet het resultaat in de RFID tag. Blockchain processing dus niet in het IoT device, maar wel in de keten. Maar of dit nodig is?

IoT en blockchain. Twee veelbelovende technologieën die in de komende paar jaar zullen laten zien wat ze echt waard zijn. Versterken ze elkaar, of zijn ze juist elkaars opponenten? Alleen door dit verder op te pakken komen we daar achter.

Dungeons and Dragons

Vorig weekend hebben mijn vrouw en ik voor het eerst “Dungeons and Dragons” gespeeld met onze studerende kinderen. Ik had het nog nooit gespeeld en kende het alleen van de sitcom “Big-Bang theory”, waar we als gezin al jaren naar kijken. Ik moet zeggen, allebei een aanrader.

D&D is een fantasie rollenspel dat vooral door technische studenten gespeeld wordt. Het speelt zich af in een fantasie wereld die lijkt op de middeleeuwen. De “Dungeon master” heeft een verhaal lijn in gedachten, met mysterieuze wezen waartegen gevochten moet worden om uiteindelijk een schat te veroveren.

Alle deelnemers hebben een karakter, een rol. Hierdoor kunnen ze sommige dingen wel en andere dingen niet. Binnen die mogelijkheden bepalen de deelnemers zelf wat er echt gaat gebeuren. Wat er gebeurt bepaalt de fantasie van de Dungeon master en de deelnemers.

Bij het spelen van dit spel bedacht ik mij dat zo’n rollenspel parallellen heeft met hoe wij projecten inrichten. Al jaren hebben we voor onze productontwikkeling onze eigen versie Agile. Momenteel zijn we drukdoende dit onder de loep te nemen. Door de opschaling van onze projecten moeten we ook het proces enigszins opschalen. Hoewel ik waak voor te veel of te zware processen.

Het tekenen van processen laat zien dat organisaties eigenlijk bestaan bij de gratie van rollenspellen. In onze discussie komt telkens vragen naar boven als: “Welke rollen zijn er?”, “Wat houdt die rol eigenlijk precies in?” en “Wat mag iemand wel, en wat niet in die rol?” Een goede rolverdeling zorgt voor de juiste dynamiek, maar het zijn de deelnemers, de ontwikkelaars, en betrokken stakeholders die samen de uitkomst bepalen.

Het mooie, maar ook het spannende van veel projecten is dat de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat. In D&D zijn het dobbelstenen, in het echt zijn het onzekerheden over de technische haalbaarheid, of de benodigde inspanning om er te komen, die bepalen wat er onderweg gebeurt. Hoeveel flexibiliteit, en hoeveel fantasie kun je dan inzetten om toch een gewenste uitkomst te bereiken?

Zeker hierin zit een spanning waarin ontwikkelaars en andere stakeholders soms een flink robbertje moeten vechten. Er is vaak veel meer mogelijk dan een ontwikkelteam denkt te kunnen realiseren, maar ook stakeholders moeten de ogen openen dat andere oplossingen soms minstens zo goed zijn als degene die zij voor ogen hadden. Een goed resultaat komt alleen tot stand op basis van het vertrouwen er samen in te zitten, en er samen creatief uit te komen.

D&D is een spel, met iets van een verhaallijn, waarin deelnemers hun rol vaak heel serieus nemen, maar fantasie in bepalend. In projecten mag je hopen dat rollen ook zo serieus ingevuld worden, en dat er een plan is. Maar bovenal mag je hopen dat de fantasie van alle betrokkenen zo groot is, dat het maximale resultaat bereikt mag worden.

En toen waren er nog …

Het kleine Negereiland voor de kust van Davon (UK) is het toneel van een thriller van Agatha Christi uit 1939. Tijdens een storm zitten er tien mensen opgesloten op dit eiland. En zoals je bij Agatha Christi mag verwachten overleven ze het niet allemaal. Sterker nog, ze overleven het allemaal niet. Een drama met een wetmatigheid aan de hand van het liedje van de tien kleine negertjes. Elk couplet stelt niet alleen dat er weer één afvalt, maar koppelt er ook een oorzaak aan. Dit verhaal schoot mij te binnen toen eind vorig jaar T-Mobile aankondigde Tele2 over te zullen nemen.

Het is twintig jaar sinds de liberalisering van de Europese telecom markten. Vanuit de gedachte dat meer concurrentie goed is voor de consument besloot de Nederlandse overheid dat er vijf vergunningen geveild zouden worden.

Je zou verwachten dat leveranciers van telecom apparatuur wel in hun handen knepen. Vijf infrastructuren bouwen is een hoop geld. Maar juist uit deze hoek werd gewaarschuwd. Concurrentie is goed, maar er passen slechts drie landelijke aanbieders in een markt. Deze drie kan je typeren als de “incumbent”, zijn directe concurrent, en de “challenger”. De grootste heeft dan een marktaandeel van 40-50%, de kleinste 20-25%. Ieder zijn plek, met ieder een gezonde business.

Bij de UMTS veilingen van 20 jaar geleden zijn vijf licenties uitgegeven. Als snel werd Telfort door KPN overgenomen, waardoor er maar vier completere netwerken zijn gebouwd. Twee jaar later werd Orange overgenomen door T-Mobile. Toen waren er nog maar drie.

Voor de LTE veilingen zien we exact hetzelfde. Vijf licenties, waarbij er twee nieuwkomers moesten komen. Met de overname van Ziggo/UPC door Vodafone zijn er maar vier completere netwerken gebouwd, en na de overname van Tele2 door T-Mobile, staat de teller weer op drie.

Is het streven van de overheid naar meer licenties dan weggegooide moeite? Misschien niet. Het zorgt voor nieuwe spelers die de markt uitdagen. Of het een blijvende plek in de markt zal zijn, dat is de vraag. Voor de 5G veilingen van volgend jaar zal dekkingsplicht belangrijk zijn. En dat is best lastig voor een nieuwkomer. Maar wie weet met welk ambitieus plan zo’n partij komt.

Ik durf echter de stelling aan dat een paar jaar na deze veiling we weer terug zijn op drie. Als er twee nieuwkomers zijn zal één van beide niet toekomen aan het bouwen van een netwerk, en zal de tweede overgenomen worden door een van de groten.

Het verhaal van Agatha Christi gaat dus maar deels op. Daar ging het van tien naar nul. Op de mobiele telecommarkt geldt een cyclische wet van vijf naar drie. De overeenkomst is wel dat het leest als een spannend boek.

Wat doen we met 5GHz?

De afgelopen periode hebben we WiFi metingen uitgevoerd en geanalyseerd. FIGO en Strict hebben in opdracht van Agentschap Telecom de drukte gemeten op de WiFi banden. Deze meetcampagne is een herhaling van de gelijke meetcampagne uit 2014, waardoor we een mooie vergelijking kunnen trekken.

De vergelijking laat een aantal zaken zien. De 2.4 GHz band is en blijft populair. Gelukkig zien we een aantal technische verbeteringen die ervoor zorgen dat de overhead van WiFi iets afneemt, waardoor de kans dat de verbinding goed is licht lijkt te stijgen. We zien gelukkig minder legacy systemen. De stap om de legacy standaard 802.11b niet meer als vanzelfsprekend te ondersteunen levert een belangrijke bijdrage.

Daarnaast is zichtbaar dat 5 GHz populairder wordt. Dit is vooral te zien aan het aantal APs in de 5 GHz, en aan de toenemende verspreiding van het gekozen kanaal. Tegelijk lijkt de 5 GHz band nog erg veel op Siberië, uitgestrekt en vrijwel leeg. Alleen op drukke plekken zoals binnensteden krijgt 5 GHz al enige vorm.

Maar hoe ziet de toekomst eruit? De trend voor WiFi richting 5 GHz is duidelijk, gewenst en niet te stuiten. Niet alleen steeds meer APs ondersteunen 5 GHz. De meeste smartphone ondersteunen het ook, en bij laptops komt het ook steeds meer.

Maar naast WiFi hebben ook de mobiele operators ook hun blik mede gericht op deze band. 3GPP gaat met LTE-LAA de 5 GHz band gebruiken als “capacity booster”. Aangezien 5 GHz gewoon een ongelicenceerde band is mag daar prima een op LTE gebaseerde oplossing in staat, mits deze maar aan de geëiste spectrumregels zoals “listen-before-talk” voldoet.

Nu is 5 GHz een vrije band, en kunnen WiFi en LTE er beide in, en ieder in hun eigen toepassing. Ik vraag me alleen af of dit een wenselijke ontwikkeling is. Beide werken op basis van OFDM, en professionele WiFi netwerken adopteren al veel oplossingen die LTE in zich heeft, waardoor de performance zondermeer goed is. Het lijkt mij echter de voorkeur hebben dat een vrije band ook beschikbaar blijft voor toepassingen die niet aan licenties gebonden zijn, en dat in de basis gelicenceerde systemen blijven bij gelicenceerde banden.

Het is voor operators ook maar de vraag of LAA in de 5 GHz band zo’n goede oplossing is. Omdat het een vrije band is, is er zo goed als niets gegarandeerd, behalve dat systemen elkaar volledig legaal kunnen verstoren.

Er moet ruimte zijn voor ongebonden oplossingen. Dat is niet alleen van belang voor de vrijheid van burgers en bedrijven, maar het is ook een belangrijke plaats voor innovatie. Juist de ongebondenheid biedt ruimte voor creativiteit.